Category Archives: Bonus Footage

Bonus Footage: POP IS DOOD

Over pop wordt veel geluld. Een belangrijke vraag waar journalisten, critici, filosofen en sociologen, bobo’s en Jan Publiek steeds weer hun tanden in zetten is: Hoe staan we er voor? Gaat het goed en gebeuren er mooie dingen? Of is het helemaal niets meer, die pop van tegenwoordig? Een helder en eenduidig antwoord is lastig. Dat begint al met de vraag wat pop is. Maar ook achtergrond, interesse en invalshoek verschillen bij de discussierende popmedemens. ‘t Is maar net hoe je ‘t bekijkt. Vanuit een artistieke blik, of puur zakelijk? Of kijk je naar de sociaal-maatschappelijke impact? De invalshoeken op een hoop gooien met de bedoeling een allesomvattend oordeel te geven is een nobel streven. Maar het is ook een heuse breinbreker die een boel langs-elkaar-heen gelul oplevert. Het getuigt van lef of naïviteit om keihard te stellen dat pop, met alles er op en er aan, dood is. Popjournalist Arjan Terpstra deed het onlangs. Het leverde een heftige discussie op, die als gevolg alle kanten op ging. De kenners veegden hem opvallend resoluut aan de kant. Pop is niet dood; het heeft tegenwoordig een andere rol en functie dan bijvoorbeeld 15 jaar geleden, toen Terpstra zelf begon met schrijven. Pop leeft zelfs meer dan ooit als je kijkt naar hoe nadrukkelijk het aanwezig is in onze alledaagse levens. Dat was een van de conclusies toen de rook op de digitale snelweg was opgetrokken nadat de arme Terpstra door collega’s helemaal was afgefakkeld. Dit is verder niet de plek om een en ander tot in detail te bespreken, maar ik zag gisteren een deel uit de 6-delige serie “Kraut & Rüben” (WDR, 2006) op YT. Opnieuw een mooie repo over Krautrock in Duitsland (ik besprak eerder al “Krautrock; The Rebirth Of Germany”), maar ook een aanleiding om nog even wat Pop Is Dood-brokstukken op te pakken.

Kraftwerk

“Kraut & Rüben” (oorspronkelijk in 1979 gemaakt als ik het goed begrijp) heeft namelijk precies dezelfde invalshoeken. Wat waren de artistieke motieven van bands als Kraftwerk, Neu!, Can of Faust? Hoe pakten ze het zakelijk aan? En wat was de impact buiten de muziek om? Het deel dat ik zag (“Elektrische Impulse”) beantwoordt vooral de eerste vraag. Pop was rond 1970 al morsdood voor de krautrockers. In artistiek zin dus vooral. Pop was traditie, stilstand, achterom kijken, achteruitgang. Daar doe je aan mee, of je zet je er tegen af. Mensen als Klaus Schulze, Dieter Moebius, Klaus Dinger en Edgar Froese kozen dus voor het laatste, met de blik op de toekomst. Voor hen geen ‘nieuw’ Duits antwoord op Angelsaksische voorbeelden, en al helemaal geen Schlagers, maar wel een nieuwe muzikale taal, door henzelf uitgevonden. De vragen uit de popdiscussie van 2011 stelden zij zichzelf. Pop werd dood verklaard, maar het stond een ‘rebirth’ niet in de weg.

Het is dus vrij lastig om te stellen dat pop in algemene zin dood is. Maar je kunt de vraag wel voor jezelf, vanuit je eigen invalshoek, beantwoorden. De krautrockers deden het. Pop was dood, maar ze bliezen de boel opnieuw leven in. Dat weten we nu (krautrock is van grote invloed op de popmuziek), dat wist men toen natuurlijk nog niet. De repo laat heel mooi de twijfel zien die bij experimenteren hoort. De quotes zijn kort en helder, de muziek staat lang genoeg om er als kijker ook echt even in te duiken. Gelukkig liet men het niet bij praten en denken over popmuziek. ‘Gewoon doen’ was het motto. Met vallen en opstaan (je bent niet voor niets pionier), maar het besef dat er artistiek iets moois groeide liet het motortje draaien. Het geld was slecht, het gevoel was goed. ‘Pop’ noemden ze zelf hun muziek niet. ‘Rock’ ook niet. Nee, het was kunst. Dat de heren aanvankelijk nauwelijks in het pop- en rockcircuit optraden bewijst dat die laatste term waarschijnlijk het meest adequaat was. Met een lange adem werden uiteindelijk labels gevonden die er achter gingen staan, de media zagen er een verhaal in, en zo groeide het krautrockkindje als kool. Vooral Faust werd behoorlijk gepromoot, Kraftwerk kreeg hits, het buitenland raakte geïnteresseerd, en de rest is –zoals het oeroude gezegde luidt- geschiedenis.

Klaus Schulze

De popindustrie, media, ze spelen een grote rol in het levend houden van popmuziek. Ook daar moet avontuur zitten om de broodnodige nieuwe impulsen voor pop vanuit de underground naar boven te halen. Ik hoor Terpstra er nauwelijks over (hij heeft vooral artistieke argumenten, kan daar zelf aardig in mee gaan overigens), maar het krautrockverhaal accentueert dat nog maar weer eens. Als er nu al iets dood is, dan zou ik zeggen dat het probleem toch vooral in deze hoek zit. De wijze les van “Kraut & Rüben” is verder: we hebben altijd mensen –ongeacht achtergrond en invalshoek- nodig die de ballen hebben om nieuw leven in de zaak te blazen.

Paul Schwarte
www.ijamecono/wordpress.com

Advertisements

Leave a comment

Filed under Bonus Footage

BONUS FOOTAGE: Atkins & Aalberts

Do It Yourself. Drie simpele woordjes als antwoord op de vraag hoe je via een plaat en/of concert je muziek wereldkundig maakt. Dat kun je, sinds er na punk een onafhankelijk netwerk is, dus zelf doen. Dertig jaar geleden werd DIY een begrip, zij het alleen in Punkland. Zelf je muziek uitbrengen en optredens regelen, zelf je muzikale loopbaan vormgeven, het is nog altijd geen standaardweg die muzikanten bewandelen. Het merendeel laat dat deel van het verhaal over aan de gevestigde popindustrie. Maar ik kom de woordjes tegenwoordig weer net zo vaak tegen als in de hoogtijdagen van punk (de periode ‘80/’85). Een aantal video’s op You Tube van Martin Atkins en een boek van Niels ‘EHPO’ Aalberts vormen de aanleiding om weer eens in deze materie te duiken.

Martin Atkins is muzikant.Public Image Limited, Ministry, Revolting Cocks, Killing Joke en Pigface staan er op z’n CV. Atkins kent de gevestigde popindustrie, met z’n ‘major’ platenmaatschappijen, z’n agencies en A&R-managers. Met z’n gecompliceerde contracten ook, waar je de duurbetaalde notarissen en advocaten en de vele gemene clausules (lees: valkuilen) er gratis bij krijgt. De popbiz is wellicht een geweldige wereld voor de succesnummers onder ons, maar raar genoeg horen muzikanten daar nauwelijks bij. Atkins gelooft er in ieder geval niet in. Door schade en schande wijs geworden mogen we hem een overtuigd DIY-er noemen. Het mooie is dat hij z’n kennis deelt. Aanleiding voor de videoserie “Tour Smart” is het gelijknamige boek. Ook geeft hij les en lezingen. Onlangs deed hij een spraakmakend seminar op het SXSW Festival in Austin, Texas. Hij presenteerde er z’n nieuwe boek met de welluidende titel “Welcome To The Music Business You’re Fucked”. Naar verluid hield hij als een wolf in schaapskleren huis onder de daar aanwezige popbobo’s.

Alle aspecten die bij het alternatief van de DIY-methode horen komen in de Tour Smart-video’s aan bod. Atkins geeft op een prettige, nuchtere, inspirerende en realistische toon vooral praktische tips. De weg naar succes zit ‘m in details, in (heel veel) kleine dingen. Aan heel veel dingen werken betekend hard werken. De DIY-methode is geen toverstafje waar je even mee zwaait om alles goud te maken. Zweet en tijd kost het, maar Atkins geeft je de handvatten om daar economisch en nuttig mee om te gaan. Succes is overigens niet gegarandeerd. Maar het is misschien wel het beste en slimste schot dat je als aankomend popster kunt afvuren.

Atkin’s verhaal is behoorlijk ‘oude wereld’. Maar het lijkt in grote lijnen op dat van Niels Aalberts, vooral als het gaat om het vestigen van een band tussen band en fan. Dat is de basis waarop carrières gebouwd worden. Niels is bekend als EHPO. Dat staat voor Eerste Hulp Bij Plaatopnamen, de site waarmee deze oud-manager van Kyteman een helpende hand voor popmuzikanten biedt in het internettijdperk. Hij besteed daarbij veel aandacht aan (gratis) marketing. Ook Niels bracht onlangs een boek uit. “Doorbraak!” kan precies dat zijn wat je zoekt om jouw muzikale loopbaan helemaal zelf en met behulp van anderen (bijvoorbeeld okaye kleine labels) vorm te geven. Dus check vooral z’n site.

Computers zijn een uitkomst voor beginnende muzikanten, maar ook voor het oude indie-netwerk dat er al lag. Het digitale netwerk werd een nieuw verlengstuk van de oude wereld en een katalysator voor het DIY-denken en doen. Als ferme gelover van de DIY-aanpak schreeuw ik “halleluja!”. Het is echter niet louter hosanna. De onbeperkte mogelijkheden van het web zorgen ook voor een overaanbod. Dat zorgt paradoxaal genoeg weer voor een beperking. Professional of amateur, iedereen wil gehoord worden en heeft een mening. Als alleen talent en scherpe geesten zich zouden bemoeien met de materie dan zou er niets aan de hand zijn. En als we heel veel tijd hebben zouden we zelf het kaf van het koren kunnen scheiden. Maar dat is niet zo. Helaas moet je door een hoop rommel baggeren om op de echte muzikale goudklompjes en geestverruimende kennis te stuiten. Als het gaat om de vraag of je wel of niet zelf je carrière moet vormgeven wordt je dan ook alle kanten opgestuurd voor een antwoord. Maar, er is hoop. Op het web –op zich nog een jong medium- beginnen de dingen zich uit te kristalliseren. Het biedt steeds beter en gemakkelijker de oplossingen (Twitter!). Martin Atkins en Niels Aalberts hebben ze wellicht voor jou in huis. Als jij dan wat talent en een gezonde dosis werklust meeneemt kunnen er mooie dingen gebeuren.

Paul Schwarte

1 Comment

Filed under Bonus Footage

Bonus Footage: Fast Forward

Laatst was John Darnielle aka The Mountain Goats bij David Letterman. Bijzonder. Voor mij wel. Herinneringen. Zo dacht ik terug aan een optreden in Simplon en aan de tweede editie van het Fast Forward Festival in 1995 in Nijmegen. Het startpunt van de lo-fi in Nederland? Sinds kort staan er beelden van FF2 op You Tube. Een mooie aanleiding om het eens te hebben over lo-fi, een genre dat geen genre is. Of toch wel?


 
Ik had stomtoevallig op de dag dat JD bij Letterman was opnames van het optreden van The MG’s op FF2 naar hem op de post gedaan. Als interviewer was ik bij een (onuitgebrachte) FF2-docu betrokken geweest. Lang verhaal waarom het 15 jaar moest duren voordat ik zelf een kopie kreeg en de beelden (en mezelf!) dus pas recent voor het eerst zag, maar via Twitter bleek dat JD ze zelf ook nooit gezien had. Hij had helemaal geen bewegende beelden uit die periode.

In ‘95 was JD nog een onbekende en nauwelijks gefilmde muzikant. Via een netwerk van labeltjes, mailorders en fanzines vond z’n muziek een weg naar liefhebbers her en der. Ik was er een van en boekte hem destijds in Simplon. De 30 bezoekers toen spreken wat dat betreft boekdelen. Die zagen daar een optreden samen met Nieuw-Zeelander Chris Knox. Voor mij was het een memorabele avond. Met Knox kwam een held op bezoek, en JD maakte met vriendin de reputatie van een paar mooie platen waar. Vooral z’n unieke zang maakte het meer dan alleen maar een man met een a-gitaar en een paar mooie songs. Maar dat het altijd lachende gezicht van JD ooit bij Letterman (die ik overigens toen niet eens kende) zou verschijnen kon ik niet voorzien.

Er leek weinig voedingsbodem te zijn voor muzikanten die de professionele studio’s vaarwel zeiden om zelf de boel op tape te slingeren. Homestudio’s werden steeds goedkoper, dus dat was een logische keuze. Eentje met weinig popbizdruk. DIY, en de vrijheid en onafhankelijkheid die dat oplevert, was weer helemaal terug na punk. Er kwam een explosie van releases, het legertje hometapers groeide. Maar ze kwamen met iets dat geluidstechnisch op dat moment niet de standaard was. Zelf was ik juist gecharmeerd van het imperfecte, directe geluid en de intieme sfeer. Een beetje ruis en wat minder dynamiek nam ik op de koop toe. Ik heb ook liever onder- dan overgeproduceert. Maar de massa heeft per definitie moeite met iets dat niet de standaard is. Bovendien was een concert van iemand die de focus puur op plaatjes maken had vaak een heel ander, en soms ook minder verhaal. Ook toen al werden cariérres vooral live gebouwd, dus dat was een extra probleem.

Ik begon hoe dan ook de blijde lo-fi-boodschap te verkondigen, vooral omdat er in de muzikale breedte ineens geweldig veel gebeurde. Elk soort rock kon de ‘lo-fi treatment’ hebben, en het bood een alternatief, een vluchtroute. Zowel in houding als opnametechnisch waren er veel parallellen met punk. Maar het was verdomd lastig om zieltjes te winnen. Verwarring en discussie! Zo werd uit een 4- of 8-sporenrecorder een zo goed mogelijk geluid halen verward met de muziek bewust slecht laten klinken. Ook kon er geen mooi afgebakend hokje van lo-fi gemaakt worden. Oblivians, Smog en Sun City Girls: probeer dat maar eens bij elkaar te vegen. Zelf gebruikte ik de term ook met enige reserve (ik begreep de verwarring), maar ja, zonder labeltje wordt het helemaal lastig om iets te verkopen…

Lo-fi bleef daarom lang underground, totdat bands als Pavement, Sebadoh en Guided By Voices live wel echt overtuigden. Mede via “Loser”, een knutselwerkje van de heer Beck, kwam de boodschap uiteindelijk toch bovengronds. Er kwamen majors die er een formule van maakten waardoor er veel rommel verscheen. Maar dat is een nadeel dat je moet en kunt accepteren als je iemand als JD uiteindelijk bij Letterman ziet. Zo werd lo-fi toch een volwaardig hoofdstuk in de popgeschiedenis. De computers gaven het hometapen een beslissende push waardoor het muzikaal nog breder werd. De term gebruik ik zelf nu nog nauwelijks, al was het alleen al omdat veel lo-fi door al die techniek vaak gewoon hi-fi klinkt. En toen reputaties groeiden, groeiden ook de mogelijkheden voor mensen als JD en Bill Callahan om de taperecorders weer in te ruilen voor profi-studio’s. Bi-fi lo-fi!

Maar het prille begin kun je nu dus zien op YT. Op het kanaal van Waaghalsrecords vind je naast The MG’s vele helden van het eerste uur. Pioniers uit Nieuw Zeeland, zoals Tall Dwarfs, Peter Jefferies en Bill Direen. Nedertoppers als Joost Visser, Gitbox! en The Furtips. Onbekende Amerikanen als Azalia Snail, Simon Joyner, Jad Fair en Virginia Dair. En bekende namen als Sebadoh, Smog (ook hij speelde in Simplon) en Beck. De filmploeg van Simplon (Pavlov) maakte de beelden, tussendoor ben ik dus ook af en toe te zien en te horen.

Meer over FF vind je dan ook op m’n eigen weblog I Jam Econo. En er is een persoonijke soundtrack uit die mooie muzikale periode in de jaren 90 te vinden op m’n Spotify. Ik zet ondertussen het Shuffler.fm-kanaal op “lo-fi”.

Paul Schwarte
www.ijamecono.wordpress.com

Leave a comment

Filed under Bonus Footage

BONUS FOOTAGE: Speaking In Code

Het kan pijn doen om te constateren dat een docu gewoon niet geslaagd is. Dat is het geval bij “Speaking In Code”, een film die als je snel bent nog net gratis te zien is via Pitchfork. Dat zou ik desondanks toch willen aanbevelen.

De pijn heeft twee oorzaken. De eerste is dat ik “S.I.C.” echt graag goed had willen vinden. Er zijn niet veel goede docu’s over techno (elektronica) die een mooi of ander beeld geven van dat wat we op mainstream-niveau al kennen. Dat is voor mijn gevoel nog steeds braakliggend gebied voor de gemiddelde muziekliefhebber. Een goede docu kan ogen en oren openen. Zo kun je maar zo mooie muziek ontdekken, zoals ik zelf een jaar of tien geleden deed. Maar hoewel “S.I.C.” zich grotendeels in Duitsland afspeelt, met de focus op belangrijke labels als Kompakt en BPitch Control, wordt een helder overzicht niet gegeven.

Een film maken over Duitse elektronica (een van de belangrijkste ontwikkelingen in de popgeschiedenis) is ook niet de intentie van de maker geweest. Ik had het graag gewild, maar er zijn andere keuzes gemaakt. Prima. De vraag is echter wat de invalshoek van “Speaking In Code” dan wel is? Tsja… Filmmaker Amy Grill leidt ons zelf door de docu en stelt meteen de vraag waarom techno in haar thuisland Amerika nog altijd ‘slechts’ underground is. De docu gaat over mensen, zegt ze. De meeste Amerikanen haten techno, zij en haar levenspartner David horen bij een elite. Wat horen en voelen al die mensen niet wat zij wel doen? Wat is het techno-gevoel? Een goede lijdraad voor een docu. We zien de bemoeienissen van David, die verwoedde maar tevergeefse pogingen doet om Boston van rock-stad in een dance-stad om te toveren. Helaas komen er geen duidelijke antwoorden op de vraag waarom het maar niet van de grond komt. Gaandeweg kom je er achter dat je die er zelf maar uit moet vissen. Dat moet niet: een goede docu geeft hapklare brokken die op een spannende en beeldende manier aan de kijker gevoerd worden.

Dat kan alleen als je je strak bij de invalshoek houdt. Maar andere invalshoeken wurmen zich in de film. De strijd van David kost energie en geld. De rol van Grill wordt gaandeweg dubbel. Ze is partner en filmmaker tegelijk. Dat gaat wringen. Dichtbij en toch afstand; het wordt zelfs een aanslag op de liefde. Een fatale, blijkt aan het eind. Ook een fraai gegeven, maar dan hebben we dus al twee invalshoeken.

Daar kom je nog mee weg als elke quote en elk beeld hier direct aan gekoppelt zijn. Maar oei, wat zitten er ongelooflijk veel loze stukken tekst en shots als ruis op de lijn tussen maker en kijker! Als zich in Duitsland dan ook nog een nieuwe invalshoek aandient is er geen redden meer aan. Grill volgt de DJ’s/producers van Wighnomy Brothers en Modeselektor met het idee om hun persoonlijke verhaal op te tekenen. Succesvolle mensen, maar er zit een keerzijde aan de medaille. Ook nu weer prima materiaal om op te focussen, maar het past gewoon niet allemaal tegelijk in een simpel docuutje.

Too much! Tussendoor bezoekt Grill nog even meneer Monolake om over technologie te praten, is ze op Awakenings en Sonar, bezoekt ze de winkel van Kompakt om bijvoorbeeld met held Wolfgang Voigt te babbelen, zien we de werkplek van David (de fameuze mailorder Forced Exposure), et cetera. Grill vraagt zich zelf halverwege ook af waar het heen moet met haar film. Ze had uiteindelijk 250 uur film. Daar is dus 99% niet van gebruikt! Een duidelijk ‘bewijs’ van stuurloosheid. En nog zit de film te vol…

Het moet een hell of a job geweest zijn om de docu te maken. Daar zit ook –ik praat uit ervaring- het tweede deel van de pijn. De passie voor het onderwerp is groot, de kennis is aanwezig, maar het wordt keihard genekt door een te ambitieus en rammelend verhaal. “S.I.C.” gaat inderdaad wel over mensen, dat wil ik haar nagegeven. Maar dat is een te ruime invalshoek. Heel jammer, gezien het bloed, het zweet en de tranen die het Grill gekost heeft. En de liefde, niet te vergeten.

Dat ze beroepsmatig toch op dit vakgebied werkzaam is vind ik een klein wonder. Ze wordt nog enigszins gered door het goede camerawerk en de montage. Daarom is “S.I.C.” toch nog wel de moeite waard. Ook de muziek en de snippers techno-culuur die voorbij komen zijn interessant. Zeker voor Nederlandse ogen, die nauwelijks iets zien van wat er een paar honderd kilometer oostwaarts gebeurt. Maar over een springlevende muziekcultuur zal zelden zo’n dooie mus in de vorm van een docu gemaakt zijn.

Paul Schwarte

Leave a comment

Filed under Bonus Footage

Let there be noise!


Ik zag in Vera een concert van de band Growing. Beste bak herrie! Daar kreeg ik meteen een gesprekje over. Over noise, een muzikaal genre op zich, wordt al heel lang gediscussieerd. Ik ga er eens voor zitten nadat ik op You Tube een korte repo getiteld “Noise” zag.

Op zoek naar een mooie docu over noise en experimentele muziek stuitte ik op het 9 minuten durende filmpje. Filmtechnisch gebeurt er niet veel, maar er worden zinnige dingen gezegd. Beelden van bands als Lightning Bolt, Arab On Radar, Black Dice en Animal Collective ter ondersteuning. Niet zomaar wat obscure namen. Het geeft aan dat noise niet alleen in de krochten van de underground, maar ook in pop een rol speelt. Zoals het dat in feite, zij het wat onopgemerkt, altijd gedaan heeft.

Wat is noise? Dat is ook in het filmpje de hamvraag. Direct daarna: waarom wordt noise gemaakt? In het dagelijks leven is het antwoord meestal: noise is geen muziek. Over het waarom hoor je meestal iets in de trend van dat die mensen gewoon geen muziekinstrument kunnen bespelen. Kortom, je afvragen wat noise is en waarom het gemaakt (en geluisterd!) wordt is je afvragen wat muziek is.

Is noise muziek? Er zijn objectieve antwoorden en algemene opvattingen, maar die bevredigen niet helemaal: ‘Noise begint waar een algemeen geaccepteerd idee over wat muziek is ophoudt’. Of: ‘Alles waar audio vanaf komt is muziek’. Okay, maar laat m’n moeder Nirvana horen, ze zal het als herrie wegzetten. Laat de Nirvana-fan The Boredoms horen, hij haakt af. Enzovoort. Er zijn vele kleuren noise (op de Wiki staat een goed artikel), het is uiteindelijk toch iets subjectiefs. Dan bestaan simpele en eenduidige antwoorden vaak niet meer en dus ontstaat er discussie.

Vergelijk het met discussieren over abstracte kunst. Heb je vast wel eens gedaan, is nu weer actueler dan ooit (linkse hobbies!). Daar ben je ook niet binnen een paar minuten uit. Zeker niet als je iemand wilt overtuigen van de schoonheid, de betekenis, het nut van abstracte kunst. De ‘dat kan m’n kleine zusje ook’-opmerking zullen ook noise-muzikanten en hun fans regelmatig te horen krijgen. Maar er zijn dus mensen die genieten van noise. Voor hen klinkt een bak herrie als muziek in oren. De anti-noise brigade zal ze voor gek verklaren. En je bent ook wel een beetje gek als je zoals de Japanse noise-muzikant Merzbow een 50-delige CD-box vol abstracte herrie uitbrengt. Maar dat dit aanbod bestaat betekent ook dat er vraag is. Dat is zo helder als wat.

Mijn subjectiviteit. Ik snap waarom het gemaakt wordt, en ja, ik geniet er van. Dat is niet van de ene op de andere dag gegaan. Langzaam zelfs. Voor mij was de Nieuw-Zeelandse band The Dead C. belangrijk. Dat gooide met de plaat “Dr.503” in ’87 mijn eigen bestaande idee over wat muziek moet zijn overhoop met een vormloze bak herrie waar ik twee jaar over deed om een nieuw soort herkenbaarheid te vinden. Beetje lang verhaal, maar de doorbraak was daar. Noise, van toegankelijk rockend tot trommelvlies tijsterend, is geen dagelijkse kost. Maar zo af en toe ‘moet het even’. Ik heb lang moeten nadenken om tot de conclusie te komen dat je bij het luisteren van noise niet zoveel moet nadenken (denk daar maar even over na). De/je vooroordelen over wat muziek is moeten aan de kant; hoe meer je voor noise open staat, hoe meer het werkt. Het spoelt m’n zieltje en m’n hoofd op een nauwelijks te definieren manier helemaal schoon.

Een wat Zen-achtig verhaal, maar het is niet anders. Voor de muziek in het algemeen geldt dat noise een frisse bries is. Het speelt met conventies, met grenzen, met hokjesgeest en formuledenken. Als er geen discussie is heeft de noise-muzikant gefaald. Er bestaat goede en slechte noise, en wat vroeger als noise gezien werd is tegenwoordig muziek.

Het leren luisteren naar noise is een hoofdstuk op zich (hoe melodie bijvoorbeeld geen rol speelt, maar textuur wel). Maar geldt dat niet voor elke soort muziek? In het filmpje zitten jonge mensen die er een bepaalde vorm van humor in zien en gewoon kicken op een ongecompliceerde bak herrie. Popmuziek kan wel wat meer humor en ongecompliceerde waanzin gebruiken, dus deze jeugd heeft wat mij betreft de toekomst. En als er nooit mensen over grenzen heen gaan zullen we ook nooit die grenzen leren  kennen.

Dus: LET THERE BE NOISE!

http://ijamecono.wordpress.com/
http://nl.wikipedia.org/wiki/Noise

Paul Schwarte

1 Comment

Filed under Bonus Footage