Category Archives: Hut Spot

HUTSPOT: CONFITURE DE CHEVAL – FEBRUARI 2011

Hits zijn lastig te voorspellen. Toen ik een jaar of acht was kon ik als geen ander een paard nadoen. Dat werd een hit. Op kinderfeestjes brieste en hinnikte ik dat het een lieve lust was. Het klonk heel naturel. Er volgde steevast applaus, mijn klasgenoten rolden over de grond van het lachen. Na een tijdje was de lol er voor mij wel vanaf. Het kunstje begon iets van een circusact te krijgen. Zij klakten met de zweep, ik brieste, ik wist allang dat ik kon briesen, zij wisten het ook, konden we nu in jezusnaam iets nieuws verzinnen, doe zelf een keer Donald Duck na, of Tatjana, maar verzin iets. Iets. Als tijdens een ongemakkelijke stilte, de schuine moppen waren op, de blikken hoopvol mijn kant op dwaalden, speelde ik de geslagen onschuld en klemde mijn lippen stijf op elkaar. Het paard in mij was dood. Het zou nooit meer hinniken.

Het werd me niet in dank afgenomen. In het contract stond vermeld dat ik een paard nadeed, op commando, ik kon dat, de anderen niet, we waren het er allemaal over eens dat het een goeie grap was, goeie grappen verdienen het om zo vaak mogelijk herhaald te worden, een clown die weigert grappig te zijn moet geen schouderklopje van de circusdirecteur verwachten. 

Ik deed niet een paard na om grappig te zijn. Ik deed een paard na omdat ik van paarden hield. Houden van is een te groot woord. Pennymeisjes hielden van paarden. Er zaten er een stuk of vijf in mijn klas. Ze waren kind aan huis in de manege, ze hadden verzorgponies die ze urenlang met ingewikkelde borstels stonden af te stoffen, ze legden vlechtjes in hun manen, ze fluisterden zoete woordjes in hun pluizige oren. Soms namen ze mij mee, reikten mij een borstel of een hoefschraper aan, deden voor hoe het moest. Dan schudde ik mijn hoofd, nee, ik kijk liever toe. Ik was als de dood voor paarden, ik vond ze schrikachtig en onpeilbaar. Stonden ze het ene moment nog dromerig op drie benen, het volgende moment stoven ze bulderend door de wei. Het was dus iets met ontzag, tegenwoordig ook wel respect.

De hele paardenimitatie-episode was in een onderbelicht deel van mijn geheugen weggezakt, totdat ik uit de feestelijke verzamelbox van het programma Hier is… Adriaan van Dis! De DVD het befaamde Charlotte Mutsaers-interview uit 1983 tevoorschijn trok waarin zij minutenlang achterstevoren praat en, omdat de interviewer er geen genoeg van kan krijgen, als klap op de vuurpijl van een groen groen knollenland van achteren naar voren zingt. Op de vraag hoe ze zich de zonderlinge kunst van het terugwaarts spreken eigen heeft gemaakt, antwoordt wakkere Mutsaers dat het een kwestie van dagelijkse oefening en training betreft. Want lang voordat ze als graficus achterstevoren leerde schrijven nam ze in Utrecht de tram om naar paardrijles te gaan, en in die tram leerde ze zichzelf aan om de namen van de tramhaltes andersom uit te spreken. Kijk, dacht ik terwijl de herinnering mij voor de geest doemde, er zijn dus ook circusacts die later nog handig van pas kunnen komen. Jammergenoeg hoort hinniken daar nu net niet bij.

In oktober 2010 was de inmiddels met prijzen overladen Mutsaers te gast in Huis de Beurs. De interviewer vroeg haar of ze nog steeds zo leuk achterstevoren kon zingen. Jazeker, beaamde de schrijfster met een guitige blik in haar ogen, dat kan ik, en hield haar lippen stijf op elkaar. Volgden nog een stuk of wat onnozele vragen die ze met eenzelfde elegantie wist af te wimpelen, aleer ze het gesprek zelf in de hand nam en van wal stak over haar fascinatie voor misdaadrapporten – ‘reuze interessant, ik pluis ze van voor tot achter uit, je wil toch voorbereid wezen als er op een goeie dag zo’n gozer met de juiste smoes en de verkeerde intenties voor je deur staat’ – en de wondere wereld  van de beesten, in alle soorten en maten, de meest ondergewaardeerde schepsels in onze samenleving volgens Mutsaers, en tevens haar meest geliefde onderwerp.

Charlotte Mutsaers deed geen kunstje, ze deed haar credo Altijd alert blijven! eer aan en demonstreerde dat het geen kwaad kan van tijd tot tijd achterstevoren te denken. Ik twijfelde geen seconde bij de boekentafel. Paardenjam ging mee naar huis.

Anneke Claus

Advertisements

Leave a comment

Filed under Hut Spot

HUT SPOT: PARODISSIMO (JANUARI 2010)

Ik ken mijn klassiekers niet. Ik geef het maar eerlijk toe. Over zulke dingen kun je beter niet liegen, want je valt er geheid mee door de mand. Ik ben een cultuurjunk, maar ook een slow cooker. Toen ik nog leeslijsten had voor mijn eindexamen en mijn studie Frans ging het rap. Zit er druk op de ketel en gaat de zweep erover, dan wil ik wel. Ik ben namelijk ook een brave leerling en een studiehoofd. Mijn eigen tempo ligt aanzienlijk lager. Over Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid, waarvan een vriend een keer tot mijn verontwaardiging zei dat hij het zo slecht vond dat hij er letterlijk de kachel mee had aangemaakt, deed ik een figuurlijke honderd jaar. Steeds weer bleef de vuistdikke pil een week onaangeraakt op mijn nachtkastje liggen en moest ik bij wederterhandneming pagina’s terugbladeren en op de bijgevoegde familiestamboom zitten puzzelen om alle Aureliano’s uit elkaar te kunnen houden. Toch hield ik van dit boek en herinner ik mij details die vrienden die erover opgeven allang vergeten zijn. Ik ben een trage doch zorgvuldige consument. Ik proef goed. Als de smaak me bevalt blijft hij me lang bij. Misschien wel een leven lang.

Toch staat dit trage consumptiegedrag een brede algemene kennis enigszins in de weg. Zo kwam ik tijdens mijn studie slechts aan het eerste deel van het lijvige A la recherche du temps perdu toe, zag ik de magnifieke series Twin Peaks en Een schitterend ongeluk nooit uit en liggen De Kersenboomgaard (1904) en Madame Bovary (1856) nog steeds op de stapel van boeken-die-ik-nog-altijd-moet-lezen. Juist van die twee laatste meesterwerken zag ik het afgelopen jaar een gespeelde versie die naar ik vermoed de geschreven tekst heel dicht nadert – want de leesslak in mij gaat graag naar de bioscoop en het theater voor de virtuele versie. Noem het luiheid, ik zeg dat het een handige manier is om mijn van nature trage ritme te ondervangen.

Op 18 december speelden ‘t Barre Land en Discordia dat bewuste stuk van Tsjechov in Grand Theatre. De verarmde Russische landadel serveerde cider aan het publiek, kwekte over het weer als een stel oude wijven, schmierde met maniertjes en verloor zich in overige algemeenheden om niet te hoeven zeggen hoezeer het stak dat de oude datsja verkocht moest worden aan de eerste de beste projectontwikkelaars die de oude kersenboomgaard wilde platgooien om er zomerhuisjes op te bouwen. Alles gespeeld met een distantie die van het ernstige stuk bijna een klucht maakte.

In eerste instantie voelde ik me een beetje bekocht. Namen ze de oude Tsjechov nu op de korrel of zat die spot al in het script en hadden de recensenten die ik erop nageslagen had er per ongeluk overheen gelezen? Toen herinnerde ik me Claude Chabrol’s verfilming van Flaubert, met in de hoofdrol de onvolprezen ijskast Isabelle Huppert – per definitie afstandelijker dan een zoetgevooisde actrice van hetzelfde zeshoekige continent dat Frankrijk heet. Ook die visualisering van een geschreven werk waarvan ik altijd had begrepen dat het hartverscheurend en hoogdramatisch was had ik destijds met stijgende verbazing zitten bekijken. Ik herinnerde me niets van al die ongein uit de beschrijvingen de dames en heren literatuurdocenten.

De toelichting van Chabrol (1930 – 2010), in de DVD-extra’s die ik altijd van voor tot achter bekijk, werkte verhelderend. Flaubert meende het bloedserieus, legde de vriendelijk ogende grijsaard uit, maar hij was ook niet vies van een geintje en een meester in het parodiëren van de romantische literatuur van zijn tijd. Dat Chabrol zelf graag lachte om de oneindige onbenulligheid van de mensheid, zichzelf incluis, verklaart goeddeels waarom Madame Bovary hem na aan het hart lag. Dat hij het graag opnam voor de vrouw, die zijns insziens in de kunst al te vaak als monster wordt afgeschilderd, ook. Humoristische boeken schreeuwen om humoristische regisseurs die ze willen verfilmen. En humoristische toneelstukken om humoristische theatermakers.

Er staat een schier eindeloze reeks fake-trailers van de zogenaamde verfilming van Honderd jaar eenzaamheid op YouTube – met beelden van onder anderen Gladiator en 300. Waar is de humoristische regisseur die dit epos van de houtkachel redt?

Anneke Claus

Leave a comment

Filed under Hut Spot

TWINS (DECEMBER 2011)

Mijn vrienden Prikkebeen en Berebek houden van beesten. Hun pakhuiswoning in Voorheen G. Adriani herbergt een complete fauna aan dode en levende viervoeters, gevleugelden, gewervelden en geleedpotigen die ze zonder onderscheid des soorts koesteren als waren het hun eigen kinderen. De opgeprikte Indonesische vleermuis in zijn lijst, de geprepareerde big naast de TV, de Afrikaanse kievit in de studeerkamer, het Vlaamse porseleinen bloedende lam Gods, de slangelederen attributen van Prikkebeen en kater Terror die met één poot de deur van de koelkast open weet te prutsen, ze zijn ze allemaal even lief. Maar het grootst en meest aanwezig van het hele rariteitenkabinet is de manshoge, glimmende, zuurstokroze chiwawa op gymschoenen die de zwarte Sauter-vleugel siert waar Berebek zo nu en dan niet onverdienstelijk Albéniz op speelt.

Geestelijke vader van de reuzenschoothond is William Sweetlove. Misschien is copyrighthouder in dit verband een beter woord, omdat de in Vlaanderen woonachtige Amerikaan in die het beeld vervaardigd heeft zijn beelden kloont. Dat wil zeggen, ze komen altijd in twee- of veelvoud. Over de hele wereld duiken ze op tijdens kunstbeurzen en exposities. Met kuddes tegelijk. Tijdens de Biënnale van Venetië zwom een school goudkleurige dolfijnen door het azuurblauwe luchtruim van Venetië tijdens de Biënnale, terwijl honderden reuzenschildpadden het San Marco-plein overnamen – hup de openbare ruimte in. Reusachtige rode honden, blauwe varkens en gele herten sieren warenhuizen, parken en rotondes. Sweetlove’s hart is groot, net als de man zelf. Beesten zijn er nooit genoeg. Hij experimenteerde ook met mensen, maar dat was toch niet helemaal hetzelfde. Dat was meer het pakkie an van zijn broer, de geneticus. William believes the future generations should rediscover their cultural roots, staat ergens diep verborgen op zijn indrukwekkende site The William Sweetlove Tabloid te lezen. Verbeeld je maar niks. Je bent een beest met schoenen aan.

Ook vriend Albert kreeg een gelaarsde chiwawa kado. Een iets handzamere, van schoorsteenmantelformaat. Kwijlebekje kijkt onnozel toe terwijl het eten opgediend wordt. Albert droeg vorig jaar met zijn partner in crime Fabian het copyright ten grave in een rituele stoet, compleet met koets en rouwkransen. We have not only lost our Copyright but also a piece of ourselves, snikten de zwarte linten. Op de loodzware granieten steen, de welbekende omkringelde C. Tijdens de Kunstvlaai lieten de heren practical jokers het publiek ongemerkt zijn voeten afvegen aan het auteursrecht. Bij de entree lag een reusachtige deurmat bedrukt met het Copyright-teken. Nu experimenteren ze met Stockfoto’s in China. Waar anders. De beste namaak komt uit Azië.

Als kinderen mogen papegaaien, waarom mogen volwassenen het dan niet? Kopiëren is menseigen. Toch gaan er onwaarschijnlijke bedragen om in de wereldwijde patentenhandel en slapen  wetenschappers nog het best met hun onderzoek onder hun hoofdkussen. In 1975 schreef Michel Foucault hele passages uit achttiende-eeuwse wapenhandleidingen over in zijn standaardwerk Surveiller et punir: Naissance de la prison (Discipline, toezicht en straf: de geboorte van de gevangenis, 1975) – zonder bronvermelding en met dikke fouten. Geen haan die ernaar kraaide. Maar reproduceert die andere Michel (Houellebecq) eergisteren een Wikipagina over de ontwikkelingsstadia van vliegenmaden in zijn nieuwe roman, dan staat de literaire kritiek op zijn kop. Een zwaktebod, puberaal: de lelijke woorden schieten tekort. Dit alles komt mij raadselachtig voor. Ik dacht dat genen, cultuur en kennis bestaan bij de gratie van het feit dat je ze deelt. Laat middelbare scholieren mijn woorden knippen en plakken, en ik ben een gelukkig mens. Wat is van mij? Ik kan niet wachten om mijn glimmende zuurstokroze eeneïge tweelingzusje te ontmoeten. Al haalt ze me het bloed vierkant onder de nagels vandaan.

Anneke Claus

Leave a comment

Filed under Hut Spot

MENS IS EEN ZACHTE MACHINE (NOVEMBER 2010)

In 1863 verscheen onder de titel Le peintre de la vie moderne (De schilder van het moderne leven) een serie essays van Charles Baudelaire, de Franse dichter met de sombere oogopslag. De schilder waar Baudelaire op doelt is Constantin Guys, een aquarellist en illustrator die het alledaagse leven in het Parijs van die tijd vastlegde.

Baudelaire vond de tekeningen van Guys een perfecte weergave van de hectiek van de grote stad, waar de industriële revolutie een nieuwe heersersklasse in het zadel had geholpen en het efficiencydenken een dwingend leefritme dicteerde. Voor het eerst was rijkdom in theorie voor Iedereen binnen handbereik, als Iedereen maar hard genoeg werkte. Voor het eerst had de burger haast. En voor het eerst, signaleerde de dichter, droeg hij, ongeacht afkomst of politieke voorkeur, een zwart pak. Het zwarte driedelige pak, dat halverwege de negentiende eeuw in zwang raakte en sindsdien niet meer weg te denken is uit het straatbeeld. Het uniform van de vertegenwoordigers van het moderne leven. Kraaien, zo noemt Baudelaire de kapitalisten; de obligate das als een strop om de nek. Gezellig met z’n allen rennen naar de afgrond. Onmiskenbaar suïcidaal.

Meer dan een eeuw eerder, in 1748, voltooide de Franse legerarts Julien Offray de Lamettrie zijn geruchtmakende L’homme machine (De mens, een machine). De Lamettrie had tijdens een veldtocht in Duitsland heftige koortsaanvallen te verduren gekregen waar hij knettergek van werd. Die ervaring bracht hem op de gedachte dat de geest ondergeschikt is aan het lichaam, en de mens aan de materie. Zoals de kraaien van Baudelaire onderdeel zijn van een grote machine die ze zelf in het leven hebben geroepen, maar niet meer stil kunnen zetten. Geld, productie, tijdsdruk. Een lijf dat rennen moet, ook als het niet meer wil.

Als de mens een machine is, dan is hij een zielige machine. In het CBK aan de Trompsingel is momenteel in het kader van de expositie Werkplaats Clash een hele verzameling zielige machines uitgestald. Ze zijn gemaakt door Gerard Eikelboom en Marcel de Vries, a.k.a. Waanzin Producties. Pontificaal middenin de ruimte hangt een hulpeloos kronkelend sculptuur van ruitenwisserarmen waaraan plastiken buizen zijn bevestigd. Op de vloer liggen een stoffer en blik. Als je langs een sensor loopt, beginnen ze rammelend te vegen. Niet dat er wat te vegen valt. En zelfs al was dat zo, het ging er toch allemaal naast. De Vries legt uit wat hij onder kunst verstaat: iets zelf maken waar een ander niet op zit te wachten. Nutteloze machines, in dit geval. Het is iets meer dan een goeie grap. Het is filosofisch. Omdat de essentie van een machine nu juist is dat hij een specifiek doel dient.

Michiel van Dartel, curator bij V2 Institute for the Instable Media (Rotterdam), voorzag Werkplaats Clash op 14 oktober van de nodige context met een lezing over cyborgs in de kunst. Er zijn heel wat kunstenaars die nutteloze machines hebben gemaakt, maar sommigen gaan net een stapje verder dan anderen. Ze willen zelf machines worden, of in elk geval gedeeltelijk. Ja ja, denk je dan, Seven of Nine, wie had er geen natte dromen over. Of Frankenstein, ook een fijne doktersroman. I’ll be back en We are Borg. Maar Frankenstein is van 1808, benadrukte van Dartel. De moderne Cyborg ziet er bedrieglijk gewoon uit. Hij liet een foto zien van een kunstenaar die een derde oor in zijn arm had laten implanteren, omdat chirurgen het te ver vonden gaan om het op zijn wang te plaatsen.

Allemaal leuk en aardig, riep iemand in het publiek, maar wat nu als de beste man er last van krijgt dat het oor de hele tijd langs zijn dijbeen schuurt. Moeten we het dan goed vinden dat de volgende arts een stuk uit zijn been verwijdert? Waar gaat het heen? Waar houdt het op? De professor in de draagbare technologie dacht even na. De grens ligt bij het eigen lichaam, antwoordde hij. Zolang het ingrepen in het eigen lichaam betreft en er artsen zijn die die ingrepen willen uitvoeren, lijkt mij dat er geen moreel bezwaar bestaat.

Zijn mijn gedachten van mijzelf, of worden ze beheerst door reclamemakers? En als ik bij de strandclub een chip in mijn arm laat implanteren, zeg ik dan: hack mij maar? God is dood, zei Nietzsche. En ook: Wees meester en vormgever van jezelf. Van the American Church of Body Modification had hij nog nooit gehoord.

Anneke Claus

1 Comment

Filed under Hut Spot

LIEG IK SOMS (DECEMBER 2010)


Hugo Claus
, van wie sommige mensen denken dat hij mijn vader was, had een hekel aan vragen over zijn persoonlijk leven. Daarom beantwoordde hij ze zelden serieus. Ik ben een zigeunerkind, zei hij tegen een interviewer, vandaar dat ik zo prachtig viool speel. De volgende dag beweerde hij dat hij uit een mijnwerkersnest kwam.

Etteren over de waarheid is iets typisch calvinistisch, meende Claus. Wie biecht, kan vergeven worden. En dus gaf hij, als rechtgeaarde afvallige katholiek, de voorkeur aan een goedvertelde leugen. Ik ben romantisch, ik geloof dat je met een fabel meer vertelt.

Op 13 november was A.L. Snijders te gast in de OB Groningen. Hij werd geïnterviewd door Hub Hermans, docent Romaanse cultuurkunde aan de RUG. Hermans was enigszins in verwarring over het realiteitsgehalte van Snijders’ korte verhalen. Die staan namelijk tjokvol autobiografische gegevens, en zijn toch zo wonderlijk dat je nauwelijks kunt geloven dat ze echt gebeurd zijn. Hoe ontstonden die verhalen, wilde de professor weten. Snijders keek het publiek een paar seconden aan van onder zijn pluizige wenkbrauwen en antwoordde toen dat het er niet toe deed. Academici, fluisterde hij samenzweerderig, hebben een obsessie met de waarheid. Terwijl een leugen net zoveel waard is als een feit. Ter illustratie las hij een verhaal voor over een uitzonderlijk mooie en getalenteerde vrouw die zich uitsluitend door topsporters liet pakken. Kijk, voegde hij er grijnzend aan toe, dit verhaal is toevallig wel op waarheid gebaseerd. Alleen de namen zijn wat door elkaar gehusseld. Moesten we hem geloven? Eerlijk gezegd interesseerde het mij allang geen biet meer. Het was een fijne voorstelling. Een beetje alsof ik in het theater zat.


Want dat is een van de voornaamste redenen waarom ik naar toneelvoorstellingen ga: om beduveld te worden. Begin deze maand nog zag ik in Grand Theatre Loose promise van Kate Mc Intosh. Zij begon het publiek zodra het licht aan ging uit te leggen hoe haar voorstelling tot stand gekomen was. Op een onhandige, lichtelijk zenuwachtige manier waarvan je je meteen afvroeg of die naturel was of gespeeld. Ze had acht mensen gevraagd haar een brief te sturen, vertelde ze, met daarin de beschrijving van: 1.een gewelddadige gebeurtenis; 2. een herinnering uit hun jeugd, en 3. hun eerste associatie bij de woorden ‘groen tapijt’. O ja, of ze er ook nog een foto bij in wilden stoppen van iets waar ze rustig van werden.

De verhalen had ze alle acht verwerkt in haar voorstelling, verzekerde Kate ons. Het was dus een democratische voorstelling. Niet alleen door de regisseur Kate Mc Intosh gemaakt, maar ook door acht mensen die het niet gewend waren om theater te maken. En toch, hoe langer je keek, hoe meer je de indruk kreeg dat Kate de boel aan het regisseren was. De brieven die ze voorlas leken wel blanco. En die acht verhalen kwamen wel erg mooi bij elkaar. Improviseerde ze of was het allemaal ingestudeerd? Waren er überhaupt ooit brieven geweest? We konden het Kate niet navragen. Na afloop van de voorstelling fladderde ze nog snel even door de foyer om op het balkon een sigaret te roken. En vanaf het balkon fladderde ze weg.

Niet weten waarnaar je zit te kijken, dat is eigenlijk de essentie van theater. Het is vermakelijk. En soms ook verdomde ongemakkelijk. Want het herinnert je eraan dat je eigenlijk de hele dag verneukt wordt. Maar dan: hoe erg is dat? Als je naar de sterrenhemel kijkt word je ook verneukt. Wat je daarboven ziet is lichteeuwen geleden gebeurd. Geordend is het ook bepaald niet. Toch is het een mooi plaatje. Als er een ster valt, doe je een wens.

Anneke Claus

Leave a comment

Filed under Hut Spot